IVA-uitkering met terugwerkende kracht

Onder verwijzing naar een artikel van SV Land op LinkedIn willen wij enige context geven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 08 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:17.

Algemeen

Bij de aangevallen uitspraak van 20 april 2023 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, behoudens voor zover daarbij het besluit van 21 juni 2021 is herroepen. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat ex-werkneemster recht heeft op een IVA-uitkering vanaf 17 februari 2017 en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Kort voor deze uitspraak heeft de CRvB haar zienswijze m.b.t. de terugwerkende kracht in relatie tot artikel 64 lid 11 en lid 12 WIA herhaald in de uitspraak van 17 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:959. De Rechtbank is bewust afgeweken van deze ter zitting bekende uitspraak. Het UWV heeft vervolgens hoger beroep aangetekend tegen deze uitspraak.

De behandeling ter zitting is meermaals geannuleerd omdat de Raad eerst een uitspraak van de Hoge Raad in een voor deze zaak relevante uitspraak wilde afwachten. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726) naar aanleiding van de Conclusie van de AG de Bock (ECLI:NL:CRVB:2023:2086) geeft, anders dan de eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in deze, een ander beeld m.b.t. de beoordeling van de bijzondere gevallen’’ zoals bedoeld in artikel 64 lid 11 WIA. E.e.a. nog los van het moreel en ethische als het gaat om het niet nakomen van zelf geïnitieerde verplichtingen en het voor de eigen wanprestatie verschuilen achter een zeer rigide interpretatie van een in de wet geformuleerde omstandigheid.

Behandeling

De uitspraak geeft zoals bekend slechts een beperkt beeld van wat aan de uitspraak vooraf is gegaan. Middels een aanvullend verweerschrift hebben wij uitgebreid gemotiveerd waarom de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726) naar aanleiding van de Conclusie van de AG de Bock (ECLI:NL:CRVB:2023:2086) gevolgen dient te hebben voor de zienswijze van de Raad zoals verwoord in ECLI:NL:CRVB:2023:959.

Het had voor de hand gelegen dat de zaak door een meervoudige kamer werd behandeld. Het feit dat het is behandeld door een enkelvoudige kamer geeft voor een deel al aan dat de Raad sowieso niet voornemens was om de door haar eerder ingezette lijn tegen het licht te houden. Vermeldenswaard is dat het juist de Raad was die geplande zittingen heeft geannuleerd omdat zij de conclusie van de AG bij de Hoge Raad en de uitspraak van de Raad wilden afwachten, omdat die van invloed zou kunnen zijn op de onderhavige zaak. Uit de uitspraak blijkt samen met hetgeen ter zitting is verhandeld dat de Raad a priori niet de intentie heeft gehad om van haar vaste lijn af te wijken, ondanks de conclusie van de AG en de uitspraak van de Raad in zaak ECLI:NL:CRVB:2023:959. De motivering van deze uitspraak is om die reden mager en kan ons inziens de uitspraak niet dragen. Opvallend daarbij is dat de Raad nauwelijks in haar motivering ingaat op de Conclusie van de AG de Bock (ECLI:NL:CRVB:2023:2086) en de zienswijze van de Raad zoals verwoord in ECLI:NL:CRVB:2023:959

Conclusie

Deze uitspraak laat duidelijk zien dat de Raad op geen enkele wijze voornemens was op om haar vaste lijn m.b.t. de beperking van de terugwerkende kracht terug te komen. Een trieste en ongemotiveerde uitspraak waarbij de conclusie van de AG moedwillig terzijde is gelegd en niet inhoudelijk is betrokken bij de uitspraak in zaak ECLI:NL:CRVB:2025:17. Het evenredigheidsbeginsel is hiermee m.b.t. artikel 64 lid 11 WIA ten grave gedragen.

IVA-uitkering aangaande Long-COVID

In diverse uitspraken van de rechtbank is de IVA_uitkering toegekend. Onder ander uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2024:2959 en ECLI:NL:RBMNE:2024:822.

Nu heeft ook een verzekeringsarts B&B beredeneerd dat een meer dan geringe kans op herstel niet goed te onderbouwen is. Wij delen graag de overwegingen van deze verzekeringsarts (zie hieronder).

Let wel: Dit was een complex ziektebeeld waarbij sprake was van een aantal aandoeningen en tevens was de werknemer al 100% arbeidsongeschikt. Onder de 80% AO is enkel de duurzaamheidstoets niet voldoende voor het behalen van een IVA-uitkering.

Overwegingen ten aanzien van de duurzaamheid

Arbeidsbeperkingen worden duurzaam genoemd als verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten of niet of nauwelijks te verwachten is. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om de inschatting van toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De inschatting van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij wn aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor wn. De VA heeft aangegeven dat beperkingen die het gevolg zijn van long covid niet duurzaam hoeven te zijn; wetenschappelijk onderzoek naar de ziekte en de gevolgen ervan voor de belastbaarheid zijn nog gaande, resultaten kunnen niet op korte termijn worden verwacht. Deze motivering acht ik niet toereikend om geen duurzaamheid aan te nemen.

Ten behoeve van de oordeelsvorming dient het volgende stappenplan te worden doorlopen.

1. Is sprake van een progressief of stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden?

Hoewel niet ter discussie staat dat wn diverse fysieke en mentale aandoeningen heeft zijn de meeste en meest forse beperkingen toe te schrijven aan post covid. Mijn verdere heroverweging zal zich daarom richten op dit ziektebeeld.

Bij wn is sprake van een gevarieerd klachtencomplex inkaderend binnen het post covid syndroom. Dit is een stabiel ziektebeeld met behandelmogelijkheden zoals fysiotherapie en ergotherapie in het kader van ‘covid herstelzorg’, strikte opvolging van leefstijladviezen (zoals het hanteren van een strak dag-nachtritme zonder slapen overdag en het nemen van voldoende nachtrust) en dieetadviezen ten behoeve van herstel van conditie en spierkracht, en vermindering van moeheid. Dergelijke behandelingen worden bij voorkeur ingebed in een multidisciplinair revalidatietraject. Behandeling door de ergo- en fysiotherapeut is noodzakelijk om te herstellen van de moeheid.

2. Wat is de verwachting t.a.v. verbetering van de belastbaarheid in resp. na het komende jaar?

Net als bij de einde wachttijd beoordeling in juli 2022 is door de VA de prognose van de belastbaarheid als gunstig ingeschat. Bij herbeoordelingen geldt een verzwaarde motiveringsplicht om niet-duurzaamheid aan te nemen. Ik stel vast dat de VA in het tijdvak medio 2022 tot medio 2024 een ongewijzigde belastbaarheid heeft aangenomen. Deze conclusie is al als vingerwijzing te beschouwen naar duurzaamheid van de beperkingen (een toename van de belastbaarheid is immers niet opgetreden). Dit terwijl wn wel de gebruikelijke covid herstelzorg van fysio- en ergotherapie heeft ontvangen en bij de diëtist is geweest, alles zonder duidelijke positief effecten op zijn belastbaarheid.

Ik deel de visie van werkgever dat uitzicht op een reële inzetbaarheid in arbeid niet goed te motiveren valt. Uit de literatuur is gebleken dat er in de praktijk vele patiënten zijn die ondanks multidisciplinaire revalidatie en met adequate psychologische ondersteuning niet opknappen.

Sterker nog, een deel van de patiënten (die met post-exertionele malaise, waarvan wn ook last heeft) verslechtert hier zelfs door, en opbouwende oefeningen worden nadrukkelijk afgeraden door richtlijnen bij longcovid en aanverwante postinfectieuze syndromen. In het specifieke geval van wn valt aan te nemen dat hij te weinig belastbaar is voor revalidatie. Of inzet van een psycholoog voor het aanleren en in de praktijk brengen van een effectievere coping de fysieke belastbaarheid zal verbeteren vind ik speculatief, althans niet goed te onderbouwen. Er is en blijft sprake van een uit de postcovid volgende inspanningsintolerantie die secundair – door het onvermogen zich veilig in te spannen – tot conditieverlies leidt. Ik concludeer dat er voldoende argumenten zijn om van duurzaamheid uit te gaan.